Nishikigoi.

    Algemene informatie over de nishikigoi.

    Nishikigoi is de algemene benaming voor de kleurkarper afkomstig uit Japan. Japanse boeren in het Niigatagebergte begonnen met de kweek van de Karpers om meer variatie te brengen in hun voeding tijdens de strenge winters die dit gebied teisterden. Hele dorpen raakten volledig afgesloten van de bewoonde wereld door meters hoge sneeuw. Naast rijst was een portie vis meer dan welkom.

    Er ontstonden met de jaren kleurmutaties door kruising. De boeren spaarde de mooiste vissen en hielden ze als huisdier. Tijdens de wereldtentoonstelling in Japan schonken zij enkele koi aan hun keizer. Dat zorgde voor de grote doorbraak van de koi-hobby.

    De veertien hoofdklassen .

     


Asagi Bekko Hikari Utsurimono Hikarimono
De Asagi is een niet metaalkleurige koi en die niet zo helder gekleurd is als de andere koi. Hierdoor wordt hij nogal eens ondergewaardeerd. De kleur van de Asagi is blauw met rode vinnen en rode buik. Het blauw kan varieren van licht tot donkerblauw. Algemeen wordt het lichtblauw het mooist gevonden. De kop moet licht blauwgrijs zijn. De Bekko is een matte, witte, rode of gele koi met duidelijke Sumi vlekken. Bekko is afkomstig van de Taisho Sanke. Men zou kunnen stellen dat een Shiro Bekko een Taisho Sanke is zonder Hi tekening. Ook hier is het weer belangrijk dat het Sumi diepzwart is. Drie soorten vinden we terug in de familie van de Bekko. De verschillende soorten Hikari Utsurimono zijn allemaal voortgekomen uit een kruising met een Ogon en een Utsuri of een Showa. De groep Hikari Utsurimono zijn hoofdzakelijk metaalkleurige Utsuri en Showa en worden alsook als zijnde een Showa of Utsuri beoordeelt.Prachtige koi met naar verloop van tijd vervaging van de glans. Een van de meest populaire groepen is zeker deze van de metaalkleurige uit een kleur (Hikarimono). Ze zijn meestal zilver- of goudkleurig. Ook al zien ze er vrij eenvoudig uit, bij wedstrijden en shows is men daarom niet minder streng in de beoordeling van een goede Hikarimono. De kleuren kunnen wisselen van soort, maar de kleur moet over het gehele lichaam dezelfde zijn. Ook mogen deze koi geen vlekken dragen.
Hikarimoyomono Kawarimono Kinginrin Kohaku
Dit zijn metaalkleurige koi met meer dan een kleur. Deze soort is door zijn prachtige metaalglans zeer populair. Ook het feit dat hij in alle kleuren en patronen verkrijgbaar is maakt hem zeer geliefd. Bij de aankoop van een Hikarimoyo mono moet je er wel op letten dat deze geen zwarte vlek op zijn kop heeft. Deze vlek kan leuk staan maar maakt de koi bij een wedstrijd of show onmiddellijk kansloos (lees: waardeloos). De groep Hikarimoyo mono wordt verkregen door een kruising van een Platinum Ogon en iedere andere soort koi, behalve de Utsuri. De groep Kawarimono omvat alle koi die niet metaalkleurig zijn en die niet tot een van de andere groepen behoren. Dat dit een zeer omvangrijke groep is had U waarschijnlijk al begrepen. Wat zeker niet wil zeggen dat de beoordelingscriteria minder streng zijn dan bij de andere soorten. Ook zijn dit geen minderwaardige koi. Alle koi uit deze groep moeten duidelijke en scherp omrande tekeningen bevatten, ook de kleuren moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen als deze bij de andere groepen. Het beoordelen van een jonge Kawarimono is al een kunst op zich, daar een jonge Kawarimono er meestal onooglijk uitziet De soort Kinginrin heeft letterlijk gouden zilverachtige schubben. Deze geven aan het Hi een gouden schittering en aan het wit en sumi een zilveren schittering. Ook hier geldt weer dat er minimum 20 schubben met deze iriserende weerspiegeling moeten aanwezig zijn om de naam Kinginrin te krijgen. Vroeger was de Kinginrin een groep op zich, sinds enkele jaren is daar in Japan verandering in gekomen. Nog enkel Kinginrin Kohaku, Kinginrin Sanke en Kinginrin Showa worden nog in een afzonderlijke groep beoordeeld. Bij de Pearl Ginrin spiegelt er een gedeelte van iedere schub, waardoor het lijkt dat de koi bedekt is met kleine parels. Hierdoor krijgt iedere schub ook een zeker relief. Bij de Beta Gin spiegelt het hele oppervlak van de schub. Dit soort schubben komt het meest voor aan de zijkanten van de koi. Wanneer de schubben glinsteren als diamanten spreken we van een Diamond Ginrin. In Japan minder gewaardeerd dan in de rest van de wereld. Bij de Kado Gin zijn alleen de randen van de schubben blinkend. Zeker de meest gekende koi. Dit is de koi waar ieder liefhebber vroeg of laat mee te maken krijgt. Kohaku zijn sneeuwwitte koi met rode vlekken. De randen van de tekening moeten helder zijn en de intensiteit van het Shiro (wit) en Hi(rood) moet overal gelijk zijn. Zeer belangrijk is het percentage Hi vlekken dat moet aanwezig zijn. In het algemeen neemt men als regel dat het Hi 50 tot 70% van de totale oppervlakte van de koi moet bedekken. Wat betreft de tekening is men bij een keuring minder streng, daar er wel een duizendtal verschillende tekeningen bestaan. De traditionele tekening is U-vormig en moet op de kop beginnen en loopt tot aan de ogen, er niet tegen en zeker niet over de ogen. De tekening moet alleszins stoppen voor de staartvin die wit moet zijn. De andere vinnen moeten ook wit zijn.
Koromo Showa Sanshoku Shusui Taicho Sanshoku
De groep Koromo is een kruising tussen een Kohaku en een Narumi Asagi. Het woord Koromo betekent letterlijk omkleed. Dit heeft betrekking tot de Hi tekening die omrand is door een donkerder kleur. Jonge Koromo zien er zelden mooi uit, zijn ze dit toch dan is de kans groot dat het Sumi bij deze koi, als hij volwassen is, te fel gaat overheersen. Het felle Hi daarentegen is wel belangrijk en het wit moet zoals altijd sneeuwwit zijn. De kleur van de omkleding kan varieren van blauw tot zwart. Naast de Kohaku en de Taisho Sanke hebben we een derde zeer populaire soort, namelijk de Showa Sanshoku. Deze is te vergelijken met een Taisho Sanke maar dan met veel meer Sumi. Ook deze koi bestaat uit drie kleuren. Daar het bij de Taisho Sanke gaat om een witte koi met Hi en Sumi vlekken, zien we dat het bij de Showa Sanshoku gaat om een zwarte koi met Hi (rode) en Shiro (witte) vlekken. Ook hier is de intensiteit en de gelijkmatigheid van de kleuren van zeer groot belang. Bij en Showa Sanshoku is er wel sumi op de kop, dit in tegenstelling tot de Taisho Sanke. Dikwijls zal het Sumi op de kop het Hi in twee verdelen, dit noemt men Menware. Ook loopt het Sumi bij de Showa Sanshoku verder onder de zijlijn en wordt het lichaam als het ware omsloten. Op de staart zijn Sumi strepen toegestaan, tekeningen daarentegen mogen niet op de staart voorkomen. Op de borstvinnen daarentegen mogen er weer Sumi strepen voorkomen, maar wel en Sumi vlek aan de basis van de borstvinnen Wat de Shusui zo geliefd maakt bij de koiliefhebber zijn z'n kleuren en z'n Doitsu schubben. Evenals bij de Asagi heeft de Shusui de neiging om in koud water donkerder van kleur te worden. De kleuren van de Shusui zijn grotendeels dezelfde als deze van de Asagi. De blauwe kleur is wel duidelijker dan bij de Asagi en dit door het ontbreken van de schubben. De schubben op de rug en zijlijn (indien aanwezig) moeten op een lijn liggen. De Shusui is eigenlijk een Doitsu Asagi, doch worden ze beschouwd als twee aparte groepen en dit omdat de Shusui, door het ontbreken van schubben, er heel anders uitziet dan de Asagi. De Taisho Sanke is een witte koi met Hi(rode) en Sumi (zwarte) vlekken. Het woordSanke betekent letterlijk driekleur. Zoals bij alle koi is de intensiteit van de kleuren zeer belangrijk. Men zou kunnen stellen dat de Taisho Sanke een Kohaku is met Sumi vlekken zoals bij de Bekko. De eisen voor een goede Taisho Sanke zijn dus dezelfde als voor de Kohaku en de Bekko. Neemt men het Sumi weg bij een Taisho Sanke dan moet er een mooie Kohaku tevoorschijn komen. Neemt men anderzijds het Hi weg bij een Taisho Sanke, dan krijgen we en Shiro Bekko. Het Sumi kan echter tijdens de groei verdwijnen en weer tevoorschijn komen. Dit wordt meestal veroorzaakt door verschillende externe factoren. Zijnde voeding, waterhardheid, temperatuur, stressfactoren in en rond de vijver enzovoort. Op de kop van een Taisho Sanke mag er geen Sumi zitten. Voor de Hi vlek op de kop gelden dezelfde eisen als bij de kohaku. Weinig Sumi vlekken is ideaal, een teveel ervan geeft al vlug een slordige indruk. Ook mogen deze Sumi vlekken niet onder de zijlijn voorkomen. In tegenstelling tot de Kohaku mogen de vinnen hier wel Sumi bevatten, een teveel gaat echter ten koste van de sierlijkheid van de Taisho Sanke.
Tancho Utsurimono
De meest bekende en meest populaire is zeker de Tancho. De naam Tancho komt van de Japanse nationale vogel, de Japanse kraanvogel. Die net als de Tancho een ronde rode vlek op zijn kop heeft. In Japan wordt de Tancho tevens gewaardeerd door de overeenkomst met de Japanse vlag. De Tancho is geen categorie op zich, maar bestaat uit Kohaku, Sanke en Showa, die een ding gemeen hebben, namelijk de rode vlek op de kop. De Hi vlek moet egaal en dieprood zijn. Dat het wit sneeuwwit moet zijn spreekt voor zich, niets mag immers de aandacht van de rode vlek verstoren. Bij een Tancho mag daarom op de rest van het lichaam geen Hi aanwezig zijn. De Hi vlek moet in het midden van de kop zitten en mag zeker niet over de ogen komen of doorlopen naar het lichaam. De vlek moet niet rond zijn maar dit heeft wel de hoogste waardering. Afhankelijk van de soort krijgen we een andere tekening op het lichaam. Ook de vinnen zijn weer afhankelijk van de soort. Zo moeten de vinnen bij de Tancho Kohaku sneeuwwit zijn, Bij de Tancho Showa moet er aan de voet een Sumi vlek zitten en bij de Tancho Sanke moeten ze weer wit zijn met eventueel enkele zwarte strepen. Doordat de Utsurimono en de Bekko op een zelfde wijze gekleurd zijn worden ze nogal eens door elkaar gehaald. Het grootste verschil tussen deze twee soorten is dat Utsurimono (kortweg Utsuri genaamd) zwart zijn met Shiro (witte), Hi (rode) of Ki (gele) vlekken. En dat de Bekko een witte, rode of gele koi is met Sumi (zwarte) vlekken. Een tweede groot verschil is de tekening op de kop. Utsurimono hebben een Sumi vlek die doorloopt tot aan de neus, dit is niet zo bij de Bekko. Bij de Utsurimono heeft de Sumi tekening, net zoals bij de Showa Sanshoku een V-vorm of de vorm van een bliksemschicht die de kop in twee verdeelt. Bij de Showa Sanshoku is de V-vorm zeer populair, bij de Utsurimono daarentegen is de bliksemschicht meer gewild. De Sumi vlekken moeten doorlopen van neus tot staart en tot onder de zijlijn, dit verdeeld over het gehele lichaam. De borstvinnen moeten aan de basis een Sumi vlek hebben. Gestreepte vinnen zoals bij de Bekko zijn hier niet zo mooi en moeten vermeden worden.

De vissen worden nog steeds gekweekt in de reservoirs die de rijstvelden bevloeien. Deze groene poelen die door bergwater gevoed worden, zijn zo rijk aan vitaminen en mineralen dat ze een volwassen koi voortbrengen in zes jaar tijd. De kleurenintensiteit wordt nergens ter wereld zo geevenaard. In oktober, vlak voor de winter, worden de moddervijvers een laatste maal afgevangen. De volgroeide exemplaren worden overgebracht in speciale koi-huizen die voorzienzijn van een sterk hellend dak(tegen sneeuwval) en verwarmd water. Er is een intensieve kweek om hobbyisten over heel de wereld te bevoorraden. 

Nishikigoi zorgden voor hun eerste verschijning rond het midden van de 19de eeuw, gedurende de Edo-periode. Ze kwamen het eerst voor in het Nijumurago dorp, gelegen in wat nu het Niigata prefectuur wordt genoemd. Eens een klein alleen liggend dorpje, omvat dit gebied nu Ojiya stad, Yamakoshi dorp en een deel van Nagaoka stad. Volgens oude documenten werd op een dag een gekleurde mutant gevonden tussen de gewone karpers. Later trachtten kwekers de varieteit te vervolmaken; met eindeloos geduld slaagden ze uiteindelijk in hun doel.

Soorten als Hi goi (goud-rood), Asagi (lichtblauw) en Bekko (wit-gespikkeld) waren latere aanwinsten. Ze verkochten deze nieuwe soorten tegen hogere prijzen omwille van de hoge interesse en de populariteit bij het gewone volk.
Het is een vaststaand feit dat vroegere feodale heren van de Nagaokaclans deze vissen verscheepten naar andere provincies. Dit gebeurde op financiele basis gedurende de Tempo-periode (1830).
Deze situatie zorgde ervoor dat voortdurend pogingen werden ondernomen om nieuwe soorten te ontwikkelen. Als resultaat ontstond de Kohaku (wit en rood) in de Meiji-periode. Kurokimadara (lichtgeel blinkend), Taisho Sanke (rood, wit zwart), Kuroshiromadara (witte ondergrond met zwarte spotjes) en zo verder.... Deze werden gecreeerd in de Taisho-periode.
In de Showa-tijd verschenen er de Showa Sanshoku (zwarte ondergrond met rode en zwarte spotjes), verschillende soorten van Ginrin (zilverschalig), Ogon goi (goudkleurig) en een aantal Hikarimono, nieuwe varieteiten door kruisingen met Ogon goi.
De plaatselijke kwekers waren steeds bezig hun grenzen te verleggen. Ze gebruikten hiervoor de Doitsu goi. Het product van jaren hard werken ontplooide zich in nieuwe varieteiten op de gewone zwarte karper. Sommige daarvan waren bedekt met verschillende schaalgrootte in schubbenverdeling en met nieuwe kleurschakeringen. Anderen hadden geen schubben maar een kleurige onderlaag van de huid. Door hun nooit aflatend zoeken kunnen we nu genieten van de mooiste en kleurrijkste Nishikigoi.

.

 

Specials.

 

 

Een mudpond in het Niigata gebergte in Japan.